Op enkele centimeters van elkaar zitten in het OV
Wie regelmatig met het openbaar vervoer reist, kent het beeld. Een coupé vol mensen die soms letterlijk op enkele centimeters van elkaar zitten, maar nauwelijks contact maken. We kijken naar buiten, naar een boek, maar tegenwoordig vooral naar onze smartphone. Dat beeld is niet nieuw. In 2014 publiceerden Nicholas Epley en Juliana Schroeder van de University of Chicago hun onderzoek Mistakenly Seeking Solitude. Ze begonnen hun artikel met een observatie die ik twaalf jaar later misschien nog wel interessanter vind dan toen zij hem opschreven. Van treinen en taxi’s tot vliegtuigen en wachtkamers kunnen onbekenden extreem dicht bij elkaar zitten en elkaar ondertussen volledig negeren.
Dat is eigenlijk vreemd. Mensen zijn sociale wezens. We zoeken elkaar op, bouwen vriendschappen, worden verliefd, werken samen en voelen ons over het algemeen beter wanneer we ons verbonden voelen met anderen. Maar zet een groep onbekenden bij elkaar in een trein en er ontstaat ineens een heel andere sociale werkelijkheid. We zitten vlak naast elkaar en doen alsof de ander er niet is. Waarom? Een voor de hand liggend antwoord is dat we gewoon geen behoefte hebben aan dat contact. Na een lange werkdag wil je misschien helemaal geen gesprek met een wildvreemde. Je wilt naar huis, muziek luisteren, wat lezen of simpelweg even niets. Maar Epley en Schroeder onderzochten een andere mogelijkheid: wat als we niet zozeer géén contact willen, maar verkeerd voorspellen hoe dat contact zal zijn?

Bekende versus onbekende aanspreken
Nog voordat de onderzoekers mensen daadwerkelijk met onbekenden lieten praten, stelden ze 203 mensen een vrij eenvoudige vraag. Zou je in verschillende situaties praten met iemand die je kent? En zou je in precies dezelfde situatie praten met een onbekende? Het verschil was enorm. Vrijwel niemand verwachtte een vriend te negeren wanneer die naast hem of haar zat. Maar vervang die vriend door een onbekende en ons voorgenomen gedrag veranderde compleet.
In een wachtkamer verwachtte 93% niet met een onbekende te praten. In een trein was dat 76%, in een vliegtuig 68% en zelfs in een taxi 51%. Bij een vriend waren die percentages respectievelijk 7%, 0%, 0% en 0%. Ik vind dat misschien wel een van de interessantste cijfers uit het hele onderzoek. Want blijkbaar is het niet zo eenvoudig als: mensen willen met rust gelaten worden. Zet iemand die we kennen naast ons en bijna niemand kiest bewust voor stilte. Zet op precies dezelfde stoel iemand die we niet kennen en ineens lijkt niets zeggen de logische keuze. De persoon naast ons verandert. En daarmee verandert blijkbaar ook onze verwachting van wat contact ons gaat brengen. Maar klopt die verwachting?

We blijken die vreemde verkeerd in te schatten
Om daarachter te komen gingen Epley en Schroeder naar een forenzenstation in de buurt van Chicago. Ze rekruteerden 118 mensen die alleen naar hun trein liepen en verdeelden hen willekeurig over drie groepen. De eerste groep kreeg een opdracht die voor sommige treinreizigers waarschijnlijk als een kleine nachtmerrie klinkt: begin tijdens je reis een gesprek met iemand die je nog niet kent. Probeer daadwerkelijk contact te maken, ontdek iets interessants over die persoon en vertel ook iets over jezelf. De tweede groep kreeg juist de opdracht om bewust alleen te blijven en van de rust te genieten. De derde groep moest niets veranderen en gewoon reizen zoals ze normaal gesproken zouden doen.
Na afloop beoordeelden de deelnemers onder andere hoe prettig hun reis was geweest, hoe gelukkig of verdrietig ze zich voelden en hoe productief ze hun reistijd vonden. Daarnaast vroegen de onderzoekers een andere groep reizigers vooraf wat zij verwachtten dat er zou gebeuren. En daar wordt het interessant. Mensen verwachtten dat ze een prettigere reis zouden hebben wanneer ze met rust werden gelaten dan wanneer ze een gesprek moesten beginnen met een onbekende. In werkelijkheid gebeurde het tegenovergestelde. De mensen die contact hadden gemaakt met een onbekende rapporteerden een positievere ervaring dan degenen die bewust alleen waren gebleven. En de gevreesde prijs die ze daarvoor zouden betalen in productiviteit bleek in het experiment ook niet zichtbaar: de onderzoekers vonden geen significant verschil in gerapporteerde productiviteit tussen de condities.
Het experiment werd vervolgens in een andere vorm herhaald onder busreizigers. Opnieuw voorspelden mensen dat alleen blijven prettiger zou zijn. En opnieuw rapporteerden degenen die daadwerkelijk met een onbekende praatten een positievere ervaring. We maken dus al een inschattingsfout voordat iemand überhaupt zijn mond heeft opengedaan.
De ander denkt misschien hetzelfde
Maar waarom beginnen we dat gesprek dan niet vaker? Misschien omdat we niet alleen verkeerd voorspellen wat het gesprek onszelf zal brengen. We doen ook een aanname over degene die tegenover ons zit: die zit vast niet op mij te wachten. Epley en Schroeder onderzochten ook dat. Treinreizigers moesten aangeven hoeveel interesse ze zelf zouden hebben in een gesprek met een onbekende en hoeveel interesse ze dachten dat de ander in een gesprek met hen zou hebben. Hun eigen interesse lag hoger dan de interesse die ze aan de ander toeschreven.
De deelnemers dachten bovendien dat minder dan de helft van de andere reizigers bereid zou zijn om met hen te praten. Een gesprek beginnen leek dus niet alleen ongemakkelijk, maar bracht in hun hoofd ook een behoorlijk risico op afwijzing met zich mee. In de daadwerkelijke experimenten zag dat er heel anders uit. Van de deelnemers die probeerden contact te maken en hun enquête terugstuurden, rapporteerde niemand dat de ander weigerde te praten. De zeven deelnemers uit het eerste treinexperiment die geen gesprek konden beginnen, gaven een veel simpelere reden: er was niemand naast hen komen zitten. Dat betekent natuurlijk niet dat iedere onbekende altijd zin heeft in een gesprek. Dat zou een absurde conclusie zijn.

Maar er ontstaat wel een fascinerende mogelijkheid. Ik kijk naar jou en denk: hij wil vast niet praten. Jij kijkt naar mij en denkt: die zit vast niet op een gesprek te wachten. En dus zeggen we allebei niets. De onderzoekers koppelen dit aan wat in de sociale psychologie pluralistic ignorance wordt genoemd. We kijken naar het gedrag van anderen om te begrijpen wat zij willen, maar kunnen dat gedrag verkeerd interpreteren. Iemands stilte kan desinteresse betekenen, maar diezelfde stilte kan ook voortkomen uit beleefdheid, onzekerheid of precies dezelfde angst voor afwijzing die wij zelf voelen. Twee mensen kunnen dus best openstaan voor contact en toch zwijgend naast elkaar blijven zitten, omdat ze allebei denken dat de ander dat liever heeft.
En er zit nog een interessante kant aan. Misschien vind jij het leuk om iemand aan te spreken, maar verpest je daarmee de rustige treinreis van de ander. Dat konden de onderzoekers in hun treinexperiment niet goed vaststellen, omdat ze alleen hun eigen deelnemers ondervroegen en niet de toevallige reizigers die werden aangesproken. Daarom deden ze later een experiment in een wachtkamer waarin ze beide kanten van het gesprek konden onderzoeken. Daar bleek dat mensen die door een onbekende werden aangesproken een even positieve ervaring rapporteerden als degenen die de opdracht hadden gekregen zelf het gesprek te beginnen. Dat verandert voor mij de betekenis van zo’n klein gesprek. Het gaat niet alleen om wat het jou oplevert als je iemand aanspreekt. Misschien geef je die ander er ook iets mee.
En toen kwam de smartphone
Hier houdt het onderzoek uit 2014 op en begint voor mij een nieuwe vraag. Want 2014 lijkt niet lang geleden, maar digitaal gezien is het bijna een andere wereld. De smartphone bestond natuurlijk al. Maar TikTok en Reels nog niet. Onze telefoons waren nog niet het apparaat waarop we gedurende de hele dag werk, nieuws, entertainment, sociale contacten, navigatie, betalingen en een vrijwel eindeloze stroom korte prikkels bij ons dragen. Epley en Schroeder onderzochten niet of smartphones ervoor zorgen dat we minder met onbekenden praten. Uit hun onderzoek mogen we dus niet concluderen dat smartphones ons minder sociaal of zelfs asociaal maken.
Maar hun onderzoek roept anno 2026 wel een vraag op die ze destijds niet konden beantwoorden: wat doet een smartphone met een gesprek dat nog niet begonnen is? Want kijk nog eens naar het mechanisme dat ze vonden. Een gesprek met een onbekende vraagt om een klein moment van onzekerheid. Je kijkt op. Misschien ontstaat oogcontact. Je denkt even na of je iets zult zeggen. Je weet niet zeker of de ander daarop zit te wachten. Misschien voelt het zelfs een beetje ongemakkelijk. En precies op dat moment hebben we tegenwoordig altijd een alternatief binnen handbereik: onze smartphone.

We hoeven niet te beslissen of we iemand zullen aanspreken, want we kunnen ook even WhatsApp openen. We hoeven het ongemak van stilte niet te verdragen, want er is altijd wel iets te lezen. We hoeven ons niet af te vragen of de ander zin heeft in contact, want binnen een seconde kunnen we contact hebben met iemand die zich kilometers verderop bevindt. Dat maakt de smartphone tot iets merkwaardigs. Het is misschien wel het krachtigste verbindingsapparaat dat we ooit hebben gebouwd, terwijl het tegelijkertijd een bijzonder makkelijke manier biedt om een mogelijk contact met degene vlak naast ons niet aan te gaan. Dat is geen conclusie van Epley en Schroeder. Het is precies de vraag die hun onderzoek bij mij oproept.
Wat doet een smartphone met een gesprek dat nog niet begonnen is?
We praten veel over schermtijd. Over notificaties, dopamine, verslavend ontwerp en hoeveel uur per dag we naar onze telefoon kijken. Dat zijn relevante discussies, maar ik denk dat we daarmee soms een interessantere vraag missen. Niet alleen: wat doen we op onze smartphone? Maar ook: wat gebeurt er niet terwijl we erop kijken? Een gesprek dat niet plaatsvindt verschijnt nergens in je schermtijdrapport. Een onbekende die je niet aankijkt kun je niet meten. Een grap die niet wordt gemaakt, een ontmoeting die niet ontstaat en een gesprek dat nooit begint laten geen digitale voetafdruk achter.
Misschien is dat ook waarom ik dit onderzoek zo interessant vind. Zelf praat ik al zolang ik me kan herinneren met jan en alleman als ik met het OV reis. Meestal levert dat gewoon een leuk gesprek op. Tien minuten later stapt een van beiden uit en zie je elkaar waarschijnlijk nooit meer. Maar niet altijd. Toen ik in Londen woonde raakte ik onderweg eens met iemand aan de praat. Die persoon kwam later bij mij brunchen en ontmoette daar een logee van mijn huisgenoot. Jaren later stond ik op hun bruiloft op Sicilië.
Natuurlijk is dat een uitzonderlijk verhaal. De kans dat je volgende praatje in de trein eindigt met een bruiloft op Sicilië is vermoedelijk niet heel groot. Maar dat is ook niet het punt. Het interessante is dat ik vooraf onmogelijk had kunnen weten wat er uit dat eerste gesprek zou ontstaan. En dat geldt ook voor veel kleinere ontmoetingen. Misschien hoor je iets interessants. Misschien moet je lachen. Misschien help je iemand. Misschien heb je gewoon tien minuten een prettig gesprek met iemand die je anders nooit had leren kennen. Of misschien blijkt de ander inderdaad geen zin te hebben. Ook prima.
Wat Epley en Schroeder mij vooral laten zien, is dat we voorzichtig moeten zijn met de gedachte die daaraan voorafgaat: die ander zit vast niet op mij te wachten. Want misschien kijkt die persoon naar jou en denkt precies hetzelfde. We zijn technisch beter verbonden dan ooit. Vanaf vrijwel iedere plek kunnen we onmiddellijk contact zoeken met familie, vrienden, collega’s en duizenden mensen die we nog nooit fysiek hebben ontmoet. Maar ondertussen zitten we nog steeds op enkele centimeters van elkaar.
Daarom gaat onze missie bij SmartSapiens uiteindelijk ook niet over zo min mogelijk schermtijd. Het gaat mij veel meer over de vraag wat we terugkrijgen wanneer onze smartphone soms even niet tussen ons en de wereld om ons heen staat. Niet iedere treinreis hoeft een sociaal experiment te worden. Niet iedere stilte hoeft gevuld. En niemand hoeft met een onbekende te praten omdat een onderzoek zegt dat het misschien leuk wordt. Maar de volgende keer dat je in de trein zit en automatisch naar je smartphone grijpt, kun je hem misschien heel even laten liggen. Kijk eens op. Je weet tenslotte nooit wat er gebeurt als iemand als eerste kijkt.
Bronnen:
Epley, N. & Schroeder, J. (2014). Mistakenly Seeking Solitude. Journal of Experimental Psychology: General, 143(5), 1980–1999. DOI: 10.1037/a0037323.
https://psycnet.apa.org/doiLanding?doi=10.1037%2Fa0037323
Volledige onderzoek https://faculty.haas.berkeley.edu/jschroeder/Publications/Epley%26Schroeder2014.pdf