We zeggen allemaal dat we echt contact belangrijk vinden. We willen onze vrienden vaker zien, vinden dat collega’s elkaar niet alleen via Teams zouden moeten spreken, maken ons zorgen over jongeren die een groot deel van hun sociale leven achter een scherm doorbrengen en hebben inmiddels een heel beleidsapparaat opgetuigd rond eenzaamheid, mentale gezondheid en verbinding. Organisaties investeren in werkgeluk, vitaliteit en sociale veiligheid, terwijl gemeenten en maatschappelijke organisaties proberen mensen weer bij elkaar te brengen en de overheid zich steeds nadrukkelijker bezighoudt met de gevolgen van digitalisering voor ons welzijn.
Maar hoeveel is dat echte contact ons eigenlijk waard? We zeggen dat we het belangrijk vinden, maar zijn we ook bereid om er iets voor op te geven, ons gedrag ervoor te veranderen of er zelfs voor te betalen?
Of, om het iets platter te zeggen: what if we put our money where our mouth is?
Wat zou er gebeuren als we voor ieder digitaal tekstbericht dat we versturen één cent zouden moeten betalen? Eén cent voor een e-mail, één cent voor een Teams-bericht, één cent voor een WhatsAppje en één cent voor een DM. Niet omdat digitale communicatie slecht is, want voor het uitwisselen van informatie is tekst vaak juist ontzettend handig, maar omdat we daarmee iets terugbrengen wat we de afgelopen twintig jaar bijna volledig uit onze communicatie hebben weggehaald: frictie.
Een bericht versturen kost ons praktisch niets. We hoeven niet te weten of iemand tijd heeft, hoeven geen ongemakkelijke stilte op te vullen en hoeven niet direct te reageren op wat de ander zegt. We typen iets, drukken op verzenden en leggen de bal bij iemand anders neer, waarna die persoon op zijn beurt weer kan kiezen wanneer en hoe hij reageert. Dat gemak heeft ons ontzettend veel gebracht, maar misschien heeft het er ook voor gezorgd dat we steeds vaker kiezen voor de makkelijkste vorm van communicatie, terwijl dat niet noodzakelijk de vorm is die ons als mens het meeste oplevert.
We kiezen liever voor tekst, terwijl een stem ons meer verbinding kan geven
Dat is niet alleen een gevoel. Onderzoekers Amit Kumar en Nicholas Epley onderzochten wat er gebeurt wanneer mensen opnieuw contact opnemen met een oude vriend, waarbij de ene groep dat telefonisch deed en de andere groep per e-mail. Vooraf verwachtten deelnemers dat bellen ongemakkelijker zou zijn, maar nadat ze daadwerkelijk contact hadden gehad, bleken degenen die elkaar hadden gesproken zich sterker met elkaar verbonden te voelen, zonder dat het gesprek ongemakkelijker was geweest. In aanvullende experimenten vonden de onderzoekers een vergelijkbaar patroon bij contact tussen onbekenden: communicatie waarbij mensen elkaars stem hoorden, zorgde voor een sterker gevoel van sociale verbinding dan communicatie via tekst (Kumar & Epley, 2021).
Het onderzoek laat daarmee iets zien wat veel mensen waarschijnlijk zullen herkennen. We weten best dat het prettig kan zijn om iemand te spreken, maar kiezen toch vaak voor een bericht omdat dat op het moment zelf minder moeite lijkt te kosten. Bellen vraagt dat we ons even volledig op de ander richten, dat we reageren op wat er wordt gezegd en dat we accepteren dat een gesprek een onverwachte richting kan inslaan, terwijl we bij tekst veel meer controle houden over wat we zeggen, wanneer we antwoorden en hoeveel aandacht we eraan besteden.
Via een stem horen we bovendien twijfel, enthousiasme, irritatie, humor, warmte en betrokkenheid, waardoor we niet alleen de inhoud van een boodschap ontvangen, maar ook iets meekrijgen van de persoon die tegenover ons zit of aan de andere kant van de lijn hangt. Dat betekent niet dat ieder telefoongesprek automatisch beter is dan een WhatsAppbericht, want soms is een kort bericht precies wat iemand nodig heeft en kan een onverwacht telefoontje juist ongelegen komen, maar het laat wel zien dat de keuze voor een communicatiemiddel gevolgen kan hebben die verder gaan dan alleen gemak en snelheid.
Toch hebben we onze communicatiesystemen de afgelopen jaren vooral in de tegenovergestelde richting ontwikkeld. E-mail werd aangevuld met WhatsApp, Teams, Slack en DM’s, waardoor steeds meer communicatie asynchroon kan plaatsvinden en we elkaar dus niet meer op hetzelfde moment hoeven te spreken. Waar we vroeger voor een korte vraag misschien naar een collega toeliepen of iemand belden, kunnen we tegenwoordig op ieder moment een bericht sturen, vaak naar meerdere mensen tegelijk, zonder dat we hoeven na te denken over de hoeveelheid communicatie die we daarmee bij anderen neerleggen.
Microsoft liet in 2025 op basis van Microsoft 365-data zien hoe groot die stroom inmiddels kan zijn. De gemiddelde gebruiker in de onderzochte werkomgeving ontving 117 e-mails en 153 Teams-berichten per werkdag, terwijl werknemers tijdens de kernuren gemiddeld iedere twee minuten te maken kregen met een meeting, e-mail of notificatie. Het gaat daarbij om ontvangen berichten en om gebruikers binnen de onderzochte Microsoft-omgeving, niet om een representatieve meting van alle Nederlandse werknemers, maar de cijfers illustreren hoe groot de hoeveelheid digitale communicatie binnen kennisintensief werk inmiddels kan zijn (Microsoft, 2025).
En nu komt daar AI bovenop, waarmee we in een paar seconden een keurige e-mail kunnen produceren die de ontvanger vervolgens door AI kan laten samenvatten, waarna dezelfde AI ook weer een antwoord kan schrijven. Technologisch is dat indrukwekkend en voor veel toepassingen ontzettend nuttig, maar het roept ook een vraag op die we misschien nog onvoldoende stellen: als we steeds minder tijd nodig hebben om berichten te produceren, gaan we die gewonnen tijd dan gebruiken om elkaar vaker te spreken, of gaan we simpelweg nog meer berichten versturen?
Als we niet oppassen bouwen we een communicatiesysteem waarin machines steeds meer tekst voor ons produceren en verwerken, terwijl de hoeveelheid rechtstreeks menselijk contact niet noodzakelijk meegroeit.
Wat als ieder digitaal bericht één cent zou kosten?
Daarom het volgende gedachte-experiment. Stel dat we digitale tekstcommunicatie niet langer volledig kosteloos laten plaatsvinden, maar dat er voor ieder verzonden bericht een heel klein bedrag wordt gerekend, bijvoorbeeld één cent. Het doel zou niet zijn om mensen te ontmoedigen informatie uit te wisselen, maar om de economische verhouding tussen verschillende vormen van communicatie een klein beetje te veranderen.
Neem de Nederlandse arbeidsmarkt. Nederland telt ruim tien miljoen werkenden, maar lang niet iedereen brengt zijn dag achter e-mail en Teams door. Als we voor een eerste grove berekening uitgaan van vijf miljoen mensen voor wie digitale communicatie een belangrijk onderdeel van het werk is, en aannemen dat zij gemiddeld dertig e-mails en dertig chatberichten per werkdag versturen, komen we bij 220 werkdagen uit op ongeveer 66 miljard zakelijke tekstberichten per jaar.
Dat is nadrukkelijk geen officieel Nederlands cijfer. Er bestaat geen centrale registratie van alle e-mails, Teams-berichten, Slacks en zakelijke WhatsApps die we versturen, en de aanname van zestig uitgaande berichten per werkdag is niet rechtstreeks af te leiden uit de eerdergenoemde Microsoft-cijfers, omdat die voornamelijk betrekking hebben op ontvangen communicatie. Het is een rekenmodel waarmee we kunnen onderzoeken wat een minimale economische prikkel zou kunnen betekenen, en voordat zo’n voorstel daadwerkelijk serieus overwogen kan worden, zouden de aantallen met representatieve Nederlandse gegevens moeten worden vastgesteld.
Maar laten we voor het gedachte-experiment die 66 miljard berichten even als uitgangspunt nemen.
Eén cent per bericht zou dan ongeveer €660 miljoen per jaar opleveren.
Voor een medewerker die gemiddeld zestig zakelijke berichten per werkdag verstuurt, gaat het om €132 per jaar. Voor een organisatie met duizend vergelijkbare medewerkers zou dat ongeveer €132.000 per jaar betekenen, een bedrag dat voor een grote organisatie waarschijnlijk niet onoverkomelijk is, maar wel voldoende zichtbaar kan worden om vragen op te roepen over de manier waarop er intern wordt gecommuniceerd.
Moeten er acht mensen in de cc, moeten we na een e-mail ook nog een Teams-bericht sturen, moeten we een discussie over vijf mails uitsmeren of kunnen we elkaar ook even bellen, naar elkaar toe lopen of tijdens de lunch bespreken wat er speelt? En als een organisatie merkt dat een groot deel van haar berichtenstroom bestaat uit korte vragen, statusupdates, herinneringen en afstemmingsverzoeken, zou dat dan aanleiding kunnen zijn om niet alleen naar de kosten van die berichten te kijken, maar ook naar de tijd en aandacht die het verwerken ervan vraagt?
Het doel zou dus niet moeten zijn om noodzakelijke communicatie duurder te maken, maar om te onderzoeken of een minimale financiële prikkel ons kan helpen bewuster te kiezen tussen asynchroon en synchroon contact. Daarbij moeten we overigens niet vergeten dat een telefoongesprek of vergadering ook tijd kost en anderen kan onderbreken, waardoor het vervangen van berichten door gesprekken niet automatisch efficiënter of prettiger is. Het gaat er juist om dat we per situatie de vorm van communicatie kiezen die het beste past, in plaats van bijna automatisch naar de makkelijkste digitale optie te grijpen.
En hoeveel berichten versturen we eigenlijk privé?
Het zakelijke verkeer is maar een deel van het verhaal, want buiten werktijd communiceren we eveneens voortdurend via WhatsApp, Signal, Instagram, Messenger, sms en allerlei andere diensten. Daarbij is het nog lastiger om een betrouwbaar Nederlands totaal vast te stellen, omdat berichten via verschillende internationale platforms lopen, zakelijke en privécommunicatie regelmatig door elkaar heen lopen en veel aanbieders geen landelijke aantallen verzonden berichten publiceren.
Om toch een gevoel voor de omvang te krijgen, kunnen we een tweede, nadrukkelijk hypothetische berekening maken. Stel dat vijftien miljoen mensen in Nederland gemiddeld vijfentwintig privétekstberichten per dag versturen, dan komen we uit op ongeveer 137 miljard berichten per jaar. Bij één cent per bericht vertegenwoordigt dat een bedrag van ongeveer €1,37 miljard, boven op de €660 miljoen uit het zakelijke voorbeeld.
Samen zouden we dan uitkomen op ongeveer €2 miljard per jaar, al is dat nadrukkelijk geen voorspelling van belastingopbrengsten. De aantallen zijn aannames, zakelijke en privéberichten zijn in de praktijk niet altijd zuiver te scheiden en zodra berichten geld gaan kosten, zal het gedrag waarschijnlijk veranderen, waardoor de werkelijke opbrengst lager of anders kan uitvallen dan een simpele vermenigvuldiging suggereert.
Juist bij privécommunicatie wordt bovendien duidelijk waarom een uniforme heffing problematisch zou zijn. Een bericht van een kind aan zijn oma, een WhatsAppje waarmee iemand hulp vraagt of een kort contactmoment tussen vrienden die elkaar weinig zien, heeft een heel andere sociale betekenis dan het zoveelste zakelijke bericht waarin iemand vraagt of er al een update is. Het zou dan ook vreemd zijn om alle digitale tekstcommunicatie over één kam te scheren, terwijl het uiteindelijke doel juist is om waardevol menselijk contact te bevorderen.
Wat als we de opbrengst gebruiken om menselijk contact goedkoper te maken?
Het gedachte-experiment wordt wat mij betreft pas echt interessant wanneer we niet alleen nadenken over de kosten van digitale communicatie, maar vooral over wat we met de opbrengsten zouden kunnen doen. Want als we zeggen dat menselijke verbinding belangrijk is, waarom zouden we eventuele inkomsten uit een communicatieheffing dan niet volledig gebruiken om ontmoetingen, gesprekken en sociale activiteiten toegankelijker te maken?
Nederland heeft daar een serieus maatschappelijk vraagstuk liggen. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek voelde in 2025 10,1 procent van de Nederlanders van 15 jaar en ouder zich sterk eenzaam en nog eens 29,7 procent enigszins eenzaam. Uit een nadere analyse blijkt bovendien dat onder mensen die niet minstens wekelijks contact hebben met familie, vrienden of buren ongeveer 29 procent zich sterk eenzaam voelt, tegenover ongeveer 9 procent van de mensen die dat regelmatige contact wel hebben (CBS, 2026).
Dat betekent niet dat minder contact automatisch de oorzaak is van eenzaamheid, want eenzaamheid heeft verschillende oorzaken en hangt onder meer samen met gezondheid, persoonlijke omstandigheden, de kwaliteit van relaties en de mate waarin iemand zich verbonden voelt met anderen. Maar het laat wel zien hoe sterk sociaal contact en eenzaamheid met elkaar samenhangen, en waarom het verstandig is om niet alleen te kijken naar de beschikbaarheid van communicatietechnologie, maar ook naar de kwaliteit van de verbinding die mensen daadwerkelijk ervaren.
Ook de World Health Organization beschouwt sociale verbinding inmiddels als een belangrijk volksgezondheidsvraagstuk. In het rapport From loneliness to social connection beschrijft de WHO hoe eenzaamheid en sociale isolatie samenhangen met onder meer depressie, angst, lichamelijke gezondheidsproblemen en vroegtijdige sterfte, en waarom overheden sociale verbinding nadrukkelijker moeten meenemen in beleid rond gezondheid, onderwijs, werk en de inrichting van onze leefomgeving (WHO Commission on Social Connection, 2025).
Stel daarom dat de opbrengst van een berichtheffing terechtkomt in een Menselijk Contactfonds, met als uitgangspunt dat iedere ontvangen euro opnieuw wordt geïnvesteerd in activiteiten en voorzieningen die mensen daadwerkelijk bij elkaar brengen. Daarmee zouden we buurthuizen en ontmoetingsplekken kunnen ondersteunen, sport en verenigingsactiviteiten toegankelijker kunnen maken voor gezinnen met weinig geld, activiteiten voor alleenstaande ouderen kunnen financieren, jongerenwerk kunnen versterken en vrijwilligersorganisaties kunnen helpen die mensen bezoeken of met elkaar in contact brengen.
Ook op de werkvloer zou zo’n fonds iets kunnen betekenen. Organisaties zouden bijvoorbeeld een deel van hun bijdrage kunnen terugverdienen wanneer zij aantoonbaar investeren in sociale verbinding, niet door opnieuw een digitale welzijnstool aan te schaffen, maar door ruimte en tijd te creëren waarin medewerkers elkaar kunnen ontmoeten, samen kunnen eten, ervaringen kunnen uitwisselen of een collega kunnen helpen zonder dat daar direct een productiviteitsdoel tegenover hoeft te staan.
Natuurlijk is niet iedere sociale activiteit automatisch effectief tegen eenzaamheid en zou de besteding van zulke middelen zorgvuldig moeten worden geëvalueerd. Maar als we bereid zijn honderden miljoenen te investeren in digitale infrastructuur, automatisering en efficiëntie, waarom zouden we dan niet minstens even serieus onderzoeken wat investeringen in menselijke ontmoeting kunnen opleveren?
Misschien is menselijke communicatie economisch inefficiënt, en juist daarom waardevol
Daar zit volgens mij een fundamenteler vraagstuk onder. Digitale communicatie is ongelooflijk schaalbaar. Eén bericht kan naar honderd mensen tegelijk, een chatbot kan duizenden gesprekken voeren en een AI-systeem kan in een paar seconden honderden teksten produceren, terwijl de marginale kosten van al die extra communicatie steeds verder dalen.
Een mens kan dat niet. Als ik een uur met jou praat, kan ik dat uur maar één keer besteden, en wanneer ik tijdens dat gesprek werkelijk naar je luister, kan ik niet tegelijkertijd honderd andere gesprekken voeren. Vanuit een puur economisch perspectief is een goed gesprek daardoor behoorlijk inefficiënt, zeker wanneer je het vergelijkt met de snelheid waarmee we tegenwoordig digitale informatie kunnen verspreiden.
Maar misschien verwarren we schaalbaarheid te gemakkelijk met waarde.
Want juist de eigenschappen die menselijke communicatie economisch inefficiënt maken, kunnen haar sociaal waardevol maken. Ik geef jou mijn tijd, jij geeft mij jouw aandacht, we horen elkaars reactie en we weten allebei dat die aandacht op dat moment niet onbeperkt beschikbaar is. Het is een vorm van wederkerigheid die moeilijk te automatiseren is, niet omdat technologie geen woorden kan produceren, maar omdat een gesprek tussen twee mensen meer is dan de optelsom van de informatie die wordt uitgewisseld.
Dat wil niet zeggen dat een telefoongesprek altijd beter is dan een bericht, of dat fysiek contact voor iedereen in iedere situatie wenselijk of mogelijk is. Voor mensen die moeite hebben met spontane gesprekken, slechthorend zijn, op afstand wonen of behoefte hebben aan tijd om hun gedachten te formuleren, kan asynchrone communicatie juist veel toegankelijker zijn. Ook kunnen tekstberichten relaties onderhouden die anders misschien helemaal zouden verwateren.
Het gaat dus niet om het vervangen van alle digitale communicatie door gesprekken, maar om het herstellen van een keuze die we misschien te vaak op de automatische piloot maken.
Wat zou meer menselijk contact werkgevers kunnen opleveren?
Ook vanuit economisch perspectief is het de moeite waard om die vraag te onderzoeken, al moeten we voorzichtig zijn om geen verbanden te suggereren die wetenschappelijk nog niet zijn aangetoond. Er bestaat geen overtuigend bewijs dat een heffing op digitale berichten rechtstreeks leidt tot minder burn-outs, lager ziekteverzuim of hogere productiviteit, en het zou onverstandig zijn om zulke effecten nu al als vaststaand resultaat te presenteren.
Wat we wel weten, is dat de economische kosten van mentale belasting op het werk aanzienlijk zijn. Volgens TNO verzuimden Nederlandse werknemers in 2023 ongeveer 14,3 miljoen werkdagen als gevolg van psychosociale arbeidsbelasting, met totale verzuimkosten voor werkgevers van ongeveer €4,9 miljard. Het gaat daarbij om verschillende oorzaken, waaronder hoge werkdruk, emotioneel belastend werk en ongewenst gedrag, en dus nadrukkelijk niet uitsluitend om digitale afleiding of gebrekkige sociale verbinding (TNO, 2025).
Toch maakt die omvang het relevant om te onderzoeken of veranderingen in de manier waarop organisaties communiceren kunnen bijdragen aan betere samenwerking, minder ervaren werkdruk en sterkere sociale relaties. Wanneer medewerkers voortdurend moeten schakelen tussen berichten, vergaderingen en notificaties, kan het zinvol zijn om niet alleen te kijken naar individuele concentratie, maar ook naar de afspraken die een organisatie maakt over bereikbaarheid, responstijden, communicatiemiddelen en momenten waarop mensen elkaar daadwerkelijk spreken.
Stel bijvoorbeeld dat betere communicatie, sterkere sociale relaties en minder digitale overbelasting gezamenlijk één procent van de genoemde verzuimkosten zouden kunnen voorkomen. Dan gaat het om een hypothetische besparing van €49 miljoen per jaar. Bij twee procent zou dat €98 miljoen zijn en bij vijf procent €245 miljoen, bedragen die laten zien waarom zelfs relatief kleine verbeteringen in het functioneren van organisaties maatschappelijk relevant kunnen zijn.
Dat zijn uiteraard scenario’s en geen voorspellingen. We weten niet welk deel van psychosociale arbeidsbelasting met communicatiegedrag samenhangt, laat staan hoeveel daarvan door een financiële prikkel beïnvloed zou kunnen worden. Bovendien kunnen meer telefoongesprekken en vergaderingen ook nieuwe vormen van werkdruk veroorzaken, waardoor een verstandige aanpak niet alleen het aantal berichten zou moeten verminderen, maar vooral de kwaliteit, timing en geschiktheid van communicatie zou moeten verbeteren.
Ook eventuele besparingen in de geestelijke gezondheidszorg zouden pas verantwoord kunnen worden berekend wanneer onderzoek daadwerkelijk laat zien dat een verandering in communicatiegedrag leidt tot meetbare verbeteringen in mentale gezondheid. Een verband tussen sociale verbinding en gezondheid is immers nog geen bewijs dat een specifieke maatregel ook zorgkosten verlaagt.
Drie manieren om het idee op kleine schaal te onderzoeken
Voordat we überhaupt zouden nadenken over landelijke invoering, lijkt het mij veel verstandiger om te beginnen met een experiment binnen organisaties die bereid zijn hun communicatiegedrag kritisch te bekijken. Daarbij zou je verschillende financiële prikkels kunnen vergelijken, zonder dat medewerkers persoonlijk hoeven te betalen voor noodzakelijke werkcommunicatie.
Een eerste mogelijkheid is het één-cent-model, waarbij een organisatie voor ieder uitgaand zakelijk tekstbericht één cent reserveert voor een gezamenlijk fonds. Bij zestig berichten per werkdag komt dat neer op €132 per medewerker per jaar. Het geld hoeft daarbij niet daadwerkelijk naar de overheid te gaan, maar kan binnen de organisatie worden gebruikt voor activiteiten die menselijke ontmoeting stimuleren.
Een tweede mogelijkheid is een vrije voet, waarbij bijvoorbeeld de eerste twintig uitgaande berichten per werkdag kosteloos blijven en de organisatie voor ieder volgend bericht vijf cent in het fonds stort. Daarmee ontstaat een sterkere prikkel om overbodige berichten te beperken, terwijl medewerkers die weinig digitale communicatie nodig hebben nauwelijks worden geraakt. Bij vijftien betaalde berichten per werkdag zou de bijdrage ongeveer €165 per medewerker per jaar bedragen.
Een derde mogelijkheid is een microheffing van een halve cent, waarbij de financiële prikkel kleiner is en de jaarlijkse bijdrage bij zestig berichten per werkdag uitkomt op €66 per medewerker. Dat model zou vooral geschikt kunnen zijn om te onderzoeken of het zichtbaar maken van communicatiekosten op zichzelf al invloed heeft op gedrag, zonder dat de bedragen voor organisaties groot worden.
Bij alle drie de varianten zou ik niet alleen het aantal verzonden berichten meten, maar ook hoeveel tijd medewerkers kwijt zijn aan communicatie, hoeveel onnodige onderbrekingen zij ervaren, of zij meer betekenisvol contact hebben met collega’s en of hun ervaren werkdruk en werkgeluk veranderen. Daarbij is een vergelijkbare controlegroep belangrijk, zodat we kunnen onderzoeken of eventuele veranderingen werkelijk door de financiële prikkel ontstaan en niet simpelweg door de aandacht die het experiment krijgt.
Het zou bovendien interessant zijn om te kijken of het aantal berichten daadwerkelijk afneemt, of dat mensen hun communicatie alleen verplaatsen naar andere kanalen. Als medewerkers minder e-mails sturen maar vervolgens voortdurend bellen of vergaderen, hebben we misschien weinig gewonnen. Als zij daarentegen minder tijd kwijt zijn aan afstemming, minder onderbrekingen ervaren en zich tegelijkertijd sterker verbonden voelen met collega’s, dan hebben we iets ontdekt wat verder gaat dan een besparing op berichten.
Moeten we dan morgen een WhatsAppbelasting invoeren?
Waarschijnlijk niet, want zodra je het idee letterlijk probeert uit te voeren, ontstaan er allerlei terechte bezwaren. Moet een kind betalen om zijn oma een WhatsAppje te sturen, wat betekent zo’n heffing voor mensen met weinig geld, wie betaalt voor groepsapps en willen we werkelijk een infrastructuur waarin wordt geregistreerd hoeveel berichten burgers naar elkaar sturen?
Daarnaast is het helemaal niet vanzelfsprekend dat minder tekstberichten automatisch tot meer menselijk contact leiden. Mensen kunnen besluiten minder te communiceren, berichten samen te voegen of simpelweg naar andere platforms uit te wijken, terwijl juist mensen met beperkte financiële middelen of een klein sociaal netwerk geraakt kunnen worden door een maatregel die bedoeld is om sociale verbinding te versterken.
Daarom is die ene cent voor mij in eerste instantie vooral een gedachte-experiment, hoewel ik het serieus de moeite waard zou vinden om op kleine schaal te onderzoeken wat financiële en organisatorische prikkels met ons communicatiegedrag doen.
Want achter dat voorstel zit een vraag die veel minder absurd is.
We zeggen voortdurend dat we meer verbinding willen, dat aandacht voor elkaar belangrijk is, dat eenzaamheid moet afnemen, dat organisaties menselijker moeten worden en dat collega’s elkaar daadwerkelijk moeten ontmoeten. Tegelijkertijd hebben we een communicatiesysteem gebouwd waarin de vorm van contact die het minste directe menselijke aanwezigheid vraagt vaak ook de makkelijkste, goedkoopste en meest schaalbare is.
Misschien hoeven we daarom helemaal geen cent per WhatsAppje te gaan innen, maar zouden we ons wel iets vaker kunnen gedragen alsof dat bericht ons iets kost, niet noodzakelijk in geld, maar in de aandacht die het van een ander vraagt en in de mogelijkheid die we laten liggen om elkaar daadwerkelijk te spreken.
We zeggen dat we meer menselijk contact willen, maar hoeveel zijn we bereid daarvoor te veranderen? En zouden we er zelfs voor willen betalen?
Bronnen
Kumar, A., & Epley, N. (2021). It’s surprisingly nice to hear you: Misunderstanding the impact of communication media can lead to suboptimal choices of how to connect with others. Journal of Experimental Psychology: General, 150(3), 595–607. https://doi.org/10.1037/xge0000962
Microsoft (2025). Breaking down the infinite workday. Microsoft Work Trend Index. https://www.microsoft.com/en-us/worklab/work-trend-index/breaking-down-infinite-workday
Coumans, M., & Groffen, D. (2026). Eenzaamheid in sociaaleconomische en maatschappelijke context. Centraal Bureau voor de Statistiek. https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/statistische-trends/2026/eenzaamheid-in-sociaaleconomische-en-maatschappelijke-context
TNO (2025). Factsheet Week van de Werkstress 2025. https://publications.tno.nl/publication/34645173/TN4nayzz/TNO-2025-werkstress.pdf
World Health Organization (2025). From loneliness to social connection: Charting a path to healthier societies. WHO Commission on Social Connection.